De toekomst is aan dc, maar in welke vorm?

  • Maarten van Wijk
  • 04 mei 2017

De individuele premieregeling is in opkomst. De kans is groot dat het stelsel over tien jaar helemaal over is naar dc, maar dan zonder vrije concurrentie en met een saus van collectieve risicodeling.


Ooit was het overzichtelijk. Bij een premieregeling (dc) is de premie vast en de uitkering variabel. Bij een uitkeringsregeling (db) is de uitkering gegarandeerd en moet er soms extra premie bij om dat waar te maken. Maar door alle schommelingen op de markten en de stijgende levensverwachting zijn de uitkeringsgaranties niet vol te houden. Db lijkt inmiddels sterk op een premieregeling, maar dan collectief en met solidariteit tussen generaties.
 

Aan de andere kant is de premieregeling verbeterd als het gaat om beleggingen en premieruimte. De regelingen groeien naar elkaar toe. De volgende stap zit eraan te komen: de overgang van pensioenfondsen op beschikbare premie en persoonlijke pensioenvermogens. Al worden daar wel weer extra buffers toegevoegd.
 

Steeds meer mensen hebben een individuele dc-regeling. In 1999 stonden tegenover elke deelnemer in een premieregeling veertig mensen in een db-regeling. In 2009 was die verhouding één op tien, inmiddels één op vier. Het aantal dc-deelnemers bij verzekeraars groeide van 20.000 in 1999 naar 500.000 eind 2016. De premiepensioeninstellingen – de speciale dc-vehikels die sinds 2011 bestaan – tellen er 425.000. Ook de pensioenfondsen doen mee: in 1999 hadden ze vrijwel geen dc-deelnemers; in 2016 380.000.
 

Andere route
 

Het motief voor de groei van dc was in de eerste instantie: minder risico voor het bedrijf. Geen bijstortingen, geen verrassingen met de premie, eenvoudiger. Later kwam daar de fors stijgende prijs van db bij.
 

Kleine ondernemingen kiezen het vaakst voor individueel dc, zo blijkt uit een onderzoek van adviesbureau Focus Orange. Maar ook grotere bedrijven, met eigen ondernemingspensioenfondsen, hebben de stap gezet. Zo gingen Shell, Randstad, Whirlpool, Capgemini, Deloitte, Berenschot en Transavia (voor de piloten) over op dc.
 

Niet iedereen gaat naar dc. De meeste grote bedrijven en de bedrijfstakfondsen opteerden voor een andere route. Zij behielden de uitkeringsregeling, maar ontdeden deze van garanties. Bedrijven springen niet meer bij als de dekkingsgraad onder het minimum zakt en de premie is vastgezet. Daarmee bereiken bedrijven hetzelfde doel als met individuele premieregelingen: minder risico voor henzelf en meer bij de deelnemers. De gevolgen zijn zichtbaar. De opbouw en/of de pensioenen zijn bij flink wat fondsen verlaagd, als gevolg van de lage rente. Defined benefit (db) is veranderd in cdc (collectief defined contribution).
 

Slechte naam
 

De convergentie gaat verder. Zo zijn bij dc-regelingen recent belangrijke nadelen aangepakt. De premie-inleg bijvoorbeeld. Daaraan stelt de fiscus een maximum, tot voor kort gebaseerd op hoge rentes van 4% of 3%. Dat betekende dat er weinig premie ingelegd kon worden. Een overgang op dc betekende soms een coupering van de pensioeninleg door het bedrijf. Dat gaf dc een slechte naam.
 

Inmiddels mogen dc-aanbieders de premie baseren op lagere rentes, die de marktrente naderen, soms slechts 1,5%. Een andere verandering is de mogelijkheid om door te beleggen na de pensioendatum. Daarmee komt een einde aan de verplichte 100% gegarandeerde uitkering bij dc. Dat betekent kans op indexatie, al staat daar extra risico tegenover.
 

Afnemende weerstand
 

Ook dc kan nu een goed pensioen opleveren, stellen de voorstanders. ‘Je kunt risico’s delen, er zitten goede defaultbeleggingen in, de deelnemer wordt bij de hand genomen’, zegt Arjen van Zanten, voorzitter van de Zwitserleven ppi en van de Vereniging van Ppi’s. ‘Dc is geen asociale regeling, zoals wel werd gezegd.’
 

De verwachting is dat dc verder opkomt. ‘De weerstand onder werknemers en bonden neemt af’, meent actuaris Jeroen Koopmans van LCP. ‘Mensen hebben gezien dat er geen garanties meer zijn in de uitkeringsregeling en weinig indexatie. Cdc heeft de geesten rijp gemaakt voor de volgende stap.’
 

De lage rente zorgt bij cdc voor aanhoudend lage dekkingsgraden, weinig indexatie en kans op kortingen. Een rentestijging zou de trek naar dc een stuk minder maken, maar lijkt er vooralsnog niet in te zitten.
 

Ideologie
 

Dus moeten de fondsen met hun cdc-regelingen de volgende stap zetten. Sinds 2010 is daarover strijd tussen twee kampen. De ‘collectivisten’ (vooral bonden en pensioenfondsen) willen cdc houden, maar aanpassen, met minder buffers, meer beleggingsvrijheid en hopelijk een beter resultaat. Aan de andere kant zijn er de ‘individualisten’ (zoals verzekeraars), die pleiten voor eigen potjes.
 

Ondanks vele rekenrapporten is nog steeds niet duidelijk wat het beste financieel resultaat biedt. Die vraag is verrassend lastig te beantwoorden, omdat er zoveel variabelen zijn, zoals beleggingsbeleid, premiebeleid en bufferregels.
 

In het publieke debat speelt daarom vooral ideologie. De premieregeling wordt ‘duidelijk’ gevonden en ‘transparant’. Mensen willen graag een ‘eigen potje’ – zo is de claim. Met premieregelingen worden zaken als uitwisseling tussen zorg, wonen en pensioen en pensioen voor zzp’ers ook makkelijker.
 

Concurrentie
 

Collectivisten stellen daartegenover dat het goed is om pensioen samen te doen. ‘Dat voorkomt dat bepaalde individuen veel pech hebben en andere veel geluk’, zegt Jos Brocken, FNV-bestuurder van metaalfonds PMT. ‘Het is ook een goed uitgangspunt dat je afspreekt op een bepaalde uitkering te mikken. Dan kun je ook samen kijken wat je doet, als het niet lukt.’ Dat is het Rijnlandse model, zegt hij, terwijl premieregelingen ‘Angelsaksisch’ zijn.
 

Maar de discussie helt nu toch naar de premieregeling. Het behoud van cdc met minder zekerheid is twee keer onderzocht door de SER, maar ook twee keer verworpen. Te intransparant, te veel risico dat wordt doorgeschoven naar jongere generaties. Tegelijk is het ook onwaarschijnlijk dat fondsen precies dezelfde regeling gaan bieden als verzekeraars of ppi’s. Vrije concurrentie ligt niet voor de hand.
 

Doorsneesystematiek
 

De SER stelt een premieregeling voor met een collectieve buffer erbovenop. De buffers bieden bescherming voor deelnemers en gelijkmatiger resultaten. Ze vormen een solidariteitselement tussen generaties. Dat betekent ook dat pensioenfondsen verplichtgesteld kunnen blijven voor hele bedrijfstakken. De dc-aanbieders zijn er niet enthousiast over. ‘Die extra buffer voegt onnodige complexiteit toe en geeft weinig welvaartswinst’, meent Van Zanten.
 

Maar grote pensioenfondsen en vakbonden vinden het toch nodig. ‘In de verbeterde dc-regelingen zit te weinig risicodeling, waardoor de combinatie van pensioenresultaat en bescherming beduidend minder is’, zegt Jan Tamerus (PGGM).
 

Voordeel van de SER-benadering is dat er solidariteit in het stelsel blijft, ook als het kabinet een andere vorm daarvan, de doorsneesystematiek, afschaft. Juridisch werkt het namelijk zo, dat de verplichtstelling van het pensioenfonds – een inbreuk op de vrije markt – is toegestaan, omdat die dient om solidariteit bij een sociale voorziening af te dwingen.
 

In dit scenario heeft uiteindelijk iedereen een premieregeling. Alleen hebben fondsen hun eigen soort: anders dan bij verzekeraars en ppi’s, met een collectieve solidaire bescherming erbovenop.
 

Goedkoper dan ppi
 

Het kan natuurlijk ook dat de SER er niet uitkomt. Pensioenhervormingen zijn immers extreem complex en een notoire splijtzwam tussen sociale partners en politiek. Ook zonder hervorming wordt de doorsneesystematiek waarschijnlijk afgeschaft. Dat betekent sowieso grote aanpassingen aan regelingen. Dan zouden bedrijven en fondsen wel eens de gelegenheid kunnen aangrijpen om alsnog op ‘gewone’ beschikbare premie over te stappen.
 

Ook pensioenfondsen kunnen dc-regelingen uitvoeren. In Nederland doen bijvoorbeeld Pensioenfonds PGB, PNO Media en TrueBlue dat. Dit zijn fondsen met veel vrijwillige aansluitingen, waarmee ze dus al in de vrije markt opereren. Volgens Frans van Veen van PGB kan zijn fonds de concurrentie aan. ‘We hebben met €24 mrd vermogen veel schaal. Per saldo voeren we dc goedkoper uit dan een ppi. We doen het zonder winstoogmerk. Daar is vraag naar.’
 

Van Veen, uitvoerder van zowel db als dc, verwacht dat dc de toekomst heeft. ‘Ik denk dat we naar dc gaan. Kijk naar Denemarken, Engeland, het gebeurt overal. Wat is nou beter? Het is vooral belangrijk, hoeveel premie erin gaat. Daaraan zie je de kwaliteit van je regeling.’


Zie voor de grafieken de doorbladerbare of gedrukte versie van dit nummer